Meer Verstand, minder Ego. Dat is mijn nieuwe motto.
Meer verstand
Ik heb altijd gedacht dat ik erg verstandig was, voornamelijk omdat ik mezelf vergeleek met mensen die minder slim waren, of zich nog impulsiever gedroegen dan ik. Over het algemeen is het geen ramp als je je niet altijd verstandig gedraagt, hele volksstammen gedragen zich zo en er zijn een aantal beroepen waar het zelfs een voorwaarde is. Een voorbeeld van mijn onverstandigheid: ik ga vaak niet op tijd naar bed terwijl ik de volgende dag vroeg op moet staan. Vroeger keek ik nog ellenlang televisie, tegenwoordig neem ik mijn tablet mee naat bed en kijk youtube-videos. Het is voor mij een echte daad van wilskracht en innerlijke strijd om dat ding bewust weg te leggen en te gaan slapen. Ander voorbeeld: ik betrap mezelf er regelmatig op dat ik me kwaad laat maken in het verkeer, door internet-kommentaar of door de media, en dat ik me dan laat meeslepen in dat gevoel. Ook dat is in het dagelijks leven geen groot probleem. Veel mensen zijn precies zo.
Bij het paragliden maakt het wel iets uit als je je verstand niet gebruikt. Als je de statistieken er eerlijk op naslaat, dan kom je tot de conclusie dat paragliden na wingsuit-BASE-jumping de gevaarlijkste bezigheid is die je kunt uitoefenen. Paragliden ziet er vreedzaam uit, maat het is en blijft een vliegsport. Zomaar een paar voorbeelden waar je iedere vlucht aan moet denken: checken of de uitrusting in goede staat is, weten hoe het weer en de wind precies is en hoe het zich in de loop van de dag kan ontwikkelen, niet onnodig dicht naast de berg of boven de grond vliegen, in alle richtingen steeds weten of er nog iemand in de lucht is in jouw buurt.
Minder Ego
In de loop van de jaren heb ik een behoorlijk ego ontwikkeld. Als kind en als puber hoorde ik niet zo bij de cool kids en ik was timide en verlegen met een klein ego. Toen ik begon te werken werd ik meer en meer trots op de kennis en de vaardigheden die ik vergaarde, en mijn ego groeide gestaag. Ik werd gerespecteerd, en mensen begonnen naar me te luisteren als ik iets te vertellen had. Ik kreeg langzamerhand een zelfvertrouwen dat aan zelfoverschatting grenst. In het beroepsleven is dit niet erg, het kan zelfs voordelig zijn; je verkoopt jezelf goed en bent niet bang voor nieuwe projekten. Deze zelfoverschatting in mijn beroepsleven vloeide door naar mijn prive-leven met als gevolg dat mensen mij soms arrogant vinden.
Ook een groot ego kan zeer nadelig zijn bij het paragliden. De wil om te "winnen" (bij paragliden betekent dat hoger en verder te vliegen dan de anderen), zorgt ervoor dat je meer risico's neemt. Als mijn prestaties achter blijven bij mijn eigen verwachtingen, verwachtingen die te hoog zijn omdat ik mezelf overschat, dan kan het gebeuren dat ik krampachtig probeer mijn resultaat te verbeteren door meer risico te nemen. Dit uit zich bijvoorbeeld in te dicht bij de bomen te vliegen om het laatste beetje wind naar boven mee te nemen (om dan door een onverwachte valwind aan de boom te blijven hangen), of dicht bij te grond nog een scherpe bocht te maken om die ene thermiek te vangen (om dan de helft van de paraglider te stallen).
Goede vliegtuig-piloten zijn een bijzonder slag mensen, en het is niet voor niets dat ze zeer streng geselecteerd worden. Ik behoor niet tot dat slag van mensen. Ik wist dat vroeger al intuitief, en nu heb ik geleerd waar dat precies aan ligt. Door schade en schande wordt men wijs. Nou ja, niet helemaal wijs, want ik vlieg nog steeds. Als ik namelijk iets geleerd heb in mijn leven, dan is het dat ik in staat ben om iets te leren, ook al duurt dat soms wat langer...
8 augustus 2019
27 maart 2019
Eventjes jazz piano leren
Net als bij het paragliden heb ik mij erin gestort zonder planning van te voren, en zonder er grondig over na te denken. Ik speelde al 10 jaar "gewoon" klassiek piano, en dacht dat ik in een of twee jaar zou leren om aardig jazz-piano erbij te doen. Ik heb het grondig onderschat.
Ik ben er nu een jaar of twee min of meer regelmatig mee bezig, en nu pas heb ik er een idee over wat er überhaupt allemaal bij komt kijken. Om jazz te kunnen spelen moet je een aantal dingen kunnen die bij het "spelen van bladmuziek" niet perse nodig zijn:
1) We beginnen met het belangrijkste. Je moet de muziek begrijpen met betrekking tot de harmonie. Dat wil zeggen, je moet op ieder moment in een lied weten in welke toonaard het is, welke toonladder / mode in deze toonaard gebruikt wordt, welk akkoord op dat moment in de begeleiding van de melodie gespeeld wordt, welke alternatieve akkoorden je zou kunnen gebruiken, wat het volgende akkoord is waar je als het ware naartoe speelt, en welke modulaties (verandering van toonaard) er optreden.
2) Je moet in staat zijn met minimale informatie, die bestaat uit de hoofdmelodie en akkoordsymbolen, zelf een zinvolle begeleiding te spelen. Je bepaalt zelf wat je speelt. Dat betekent dat je alle akkoorden moet kennen. Welnu, alle akkoorden is vrijwel onmogelijk, ik zal de belangrijkste opsommen. Bedenk daarbij het volgende: Ieder akkoord kun je in twaalf verschillende toonaarden spelen, in drie of vier omkeringen, en dan nog in verchillende "voicings": akkoorden worden meestal niet in de basisvorm gespeeld, maar bijvoorbeeld uitgesmeerd over twee of meer oktaven en met twee handen gespeeld. Dat betekent voor een simpel C-majeur akkoord dat je het op ongeveer 10 verschillende manieren kunt spelen. Maal twaalf voor de verschillende toonaarden zijn we bij 120 manieren voor een majeur akkoord. Bij het spelen bepaal je dus zelf welke vorm je speelt. Dat hangt af van de melodie, de akkoorden die ervoor en erna komen (voice leading), het karakter van het lied, en de samenstelling van de band waarin je speelt. De belangrijkste akkoorden zijn:
major
major 6
major 7
dominant 7
(dominant 7 b5)
major 9
(major b9)
(major #9)
(major #11)
major 13
(major b13)
major sus4
major sus2
minor
minor 6
minor 7
minor 7 b5 (ook bekend als half verminderd)
minor major7
(een mineur akkoord met een grote septime)
minor 9
minor 13
minor sus 4
minor sus2
diminished
diminished 7
(Als bijkomend probleem is er het feit dat de notatie van akkoorden niet gestandaardiseerd is, en zelfs sommigen tonen heten anders in het Duits.) De akkoorden tussen haakjes zijn de zogenaamde altered chords. Zo komen we grof geschat op 24 verschillende akkoorden, maal 12 (voor de toonaarden), maal ongeveer 10 (voor de omkeringen en voicings), zijn een kleine 3000 akkoorden. Natuurlijk lijken veel akkoorden op elkaar en maak je gebruik van patronen, anders is het niet te doen. En natuurlijk heb ik veel akkoorden weggelaten. Er zijn allerlei exotische afwijkingen.
3) Je moet in staat zijn te improviseren. Improviseren is een hoofdstuk apart. Improviseren is geen uitvinding van de jazz-musici, in de klassieke muziek werd vroeger ook geimproviseerd. Hiervoor was bijvoorbeeld in een concert met een solo-istrument een speciaal deel van het stuk, genaamd cadens, gereserveerd, waarin de solist zich uit mocht leven. Om de een of andere reden is dit uitgestorven, de cadens werd meer en meer precies voorgeschreven in noten, en de kunst van het improviseren werd op de achtergrond gedrongen. Van bepaalde grote komponisten zoals Chopin en Bach is bekend dat ze veel improviseerden. De jazz-musici valt de eer toe deze kunst weer tot leven te hebben gewekt. In jazz wordt geimproviseerd op een bestaand lied tegen een gegeven begeleiding. Om te kunnen improviseren moet je in staat zijn de tonen in je hoofd te horen voordat je ze speelt, zodat je weet of je geen onzin speelt. Een goede improvisatie is muzikaal zinvol, met een begin, een hoogtepunt en een einde. In een improvisatie kun je de oorspronkelijke melodie gebruiken, maar dat hoeft niet.
Misschien ga ik binnenkort in een bandje meespelen, dat weet ik nog niet. Een realistisch doel lijkt mij, om als ik met pensioen ga, (dat duurt nog 10-12 jaar) zover te zijn dat ik als solo-pianist in cafes en restaurants kan optreden. Dan heb ik in ieder geval iets zinnigs te doen tegen die tijd.
Ik ben er nu een jaar of twee min of meer regelmatig mee bezig, en nu pas heb ik er een idee over wat er überhaupt allemaal bij komt kijken. Om jazz te kunnen spelen moet je een aantal dingen kunnen die bij het "spelen van bladmuziek" niet perse nodig zijn:
1) We beginnen met het belangrijkste. Je moet de muziek begrijpen met betrekking tot de harmonie. Dat wil zeggen, je moet op ieder moment in een lied weten in welke toonaard het is, welke toonladder / mode in deze toonaard gebruikt wordt, welk akkoord op dat moment in de begeleiding van de melodie gespeeld wordt, welke alternatieve akkoorden je zou kunnen gebruiken, wat het volgende akkoord is waar je als het ware naartoe speelt, en welke modulaties (verandering van toonaard) er optreden.
2) Je moet in staat zijn met minimale informatie, die bestaat uit de hoofdmelodie en akkoordsymbolen, zelf een zinvolle begeleiding te spelen. Je bepaalt zelf wat je speelt. Dat betekent dat je alle akkoorden moet kennen. Welnu, alle akkoorden is vrijwel onmogelijk, ik zal de belangrijkste opsommen. Bedenk daarbij het volgende: Ieder akkoord kun je in twaalf verschillende toonaarden spelen, in drie of vier omkeringen, en dan nog in verchillende "voicings": akkoorden worden meestal niet in de basisvorm gespeeld, maar bijvoorbeeld uitgesmeerd over twee of meer oktaven en met twee handen gespeeld. Dat betekent voor een simpel C-majeur akkoord dat je het op ongeveer 10 verschillende manieren kunt spelen. Maal twaalf voor de verschillende toonaarden zijn we bij 120 manieren voor een majeur akkoord. Bij het spelen bepaal je dus zelf welke vorm je speelt. Dat hangt af van de melodie, de akkoorden die ervoor en erna komen (voice leading), het karakter van het lied, en de samenstelling van de band waarin je speelt. De belangrijkste akkoorden zijn:
major
major 6
major 7
dominant 7
(dominant 7 b5)
major 9
(major b9)
(major #9)
(major #11)
major 13
(major b13)
major sus4
major sus2
minor
minor 6
minor 7
minor 7 b5 (ook bekend als half verminderd)
minor major7
(een mineur akkoord met een grote septime)
minor 9
minor 13
minor sus 4
minor sus2
diminished
diminished 7
(Als bijkomend probleem is er het feit dat de notatie van akkoorden niet gestandaardiseerd is, en zelfs sommigen tonen heten anders in het Duits.) De akkoorden tussen haakjes zijn de zogenaamde altered chords. Zo komen we grof geschat op 24 verschillende akkoorden, maal 12 (voor de toonaarden), maal ongeveer 10 (voor de omkeringen en voicings), zijn een kleine 3000 akkoorden. Natuurlijk lijken veel akkoorden op elkaar en maak je gebruik van patronen, anders is het niet te doen. En natuurlijk heb ik veel akkoorden weggelaten. Er zijn allerlei exotische afwijkingen.
3) Je moet in staat zijn te improviseren. Improviseren is een hoofdstuk apart. Improviseren is geen uitvinding van de jazz-musici, in de klassieke muziek werd vroeger ook geimproviseerd. Hiervoor was bijvoorbeeld in een concert met een solo-istrument een speciaal deel van het stuk, genaamd cadens, gereserveerd, waarin de solist zich uit mocht leven. Om de een of andere reden is dit uitgestorven, de cadens werd meer en meer precies voorgeschreven in noten, en de kunst van het improviseren werd op de achtergrond gedrongen. Van bepaalde grote komponisten zoals Chopin en Bach is bekend dat ze veel improviseerden. De jazz-musici valt de eer toe deze kunst weer tot leven te hebben gewekt. In jazz wordt geimproviseerd op een bestaand lied tegen een gegeven begeleiding. Om te kunnen improviseren moet je in staat zijn de tonen in je hoofd te horen voordat je ze speelt, zodat je weet of je geen onzin speelt. Een goede improvisatie is muzikaal zinvol, met een begin, een hoogtepunt en een einde. In een improvisatie kun je de oorspronkelijke melodie gebruiken, maar dat hoeft niet.
Misschien ga ik binnenkort in een bandje meespelen, dat weet ik nog niet. Een realistisch doel lijkt mij, om als ik met pensioen ga, (dat duurt nog 10-12 jaar) zover te zijn dat ik als solo-pianist in cafes en restaurants kan optreden. Dan heb ik in ieder geval iets zinnigs te doen tegen die tijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)